Overzicht van de belangrijkste waarderingsgrondslagen
Waarderingsgrondslagen
De geconsolideerde jaarrekening van DSM is opgesteld in overeenstemming met de International Financial Reporting Standards (IFRS) zoals aanvaard voor gebruik binnen de Europese Unie. De door DSM toegepaste waarderingsgrondslagen zijn in overeenstemming met de op 31 december 2007 van kracht zijnde IFRS en uitspraken van de International Financial Reporting Interpretation Committee (IFRIC).
In de geconsolideerde jaarrekening worden Koninklijke DSM N.V. en haar dochtermaatschappijen alsmede het aandeel van DSM in joint ventures (samen ‘DSM’ of ’groep’) opgenomen. Een dochtermaatschappij is een entiteit waarover DSM de beslissende zeggenschap heeft. Beslissende zeggenschap is de macht om het financiële en operationele beleid van de entiteit te sturen teneinde voordelen te verkrijgen uit haar activiteiten. De financiële gegevens van dochtermaatschappijen worden voor 100% in de consolidatie opgenomen. Het belang van derden in het vermogen en het groepsresultaat wordt afzonderlijk vermeld. Een joint venture is een entiteit waarin DSM een belang houdt en waarover DSM met derden op basis van een contractuele afspraak gezamenlijk beslissende zeggenschap uitoefent. Joint ventures worden in de geconsolideerde jaarrekening opgenomen volgens de methode van de proportionele consolidatie.
Dochtermaatschappijen en joint ventures worden geconsolideerd vanaf de acquisitiedatum tot het moment waarop DSM niet langer beschikt over de beslissende zeggenschap, resp. de gezamenlijke beslissende zeggenschap met derden. Bij de consolidatie worden alle intercompany-verhoudingen in de balans, intercompany-transacties en niet-gerealiseerde winsten of verliezen uit intercompany-leveringen geëlimineerd. Ongerealiseerde verliezen worden niet geëlimineerd als deze verliezen een aanwijzing zijn van een bijzondere waardevermindering van het overgedragen actief. In dat geval wordt een bijzondere waardevermindering op het actief toegepast.
De informatie wordt gesegmenteerd naar de activiteiten van de groep en de geografische gebieden waarin de groep actief is. De primaire segmentatiebasis, bedrijfssegmenten, weerspiegelt de managementstructuur van de groep. De transactieprijzen voor leveringen tussen segmenten worden bepaald op zakelijke basis. De resultaten, activa en verplichtingen van een segment omvatten zowel posten die rechtstreeks tot dat segment behoren als posten die redelijkerwijs aan dat segment kunnen worden toegerekend.
De presentatievaluta van de groep is de euro.
Elke entiteit van de groep legt transacties en balansposten in de administratie vast in haar eigen functionele valuta. Transacties die in een andere dan de eigen functionele valuta worden uitgedrukt, worden opgenomen tegen de contante wisselkoersen die gelden op de transactiedatum. Monetaire balansposten uitgedrukt in een andere dan de eigen functionele valuta worden omgerekend tegen de koers per balansdatum. Koersverschillen die voortvloeien uit de afwikkeling van deze transacties en uit de omrekening van monetaire posten worden in de winst-en-verliesrekening verwerkt.
Bij de consolidatie worden de balansen van dochtermaatschappijen en joint ventures waarvan de functionele valuta niet de euro is, omgerekend in euro tegen de koers per balansdatum. De winst‑en-verliesrekeningen van deze entiteiten worden in euro omgerekend tegen de gemiddelde wisselkoersen van de betreffende periode. Goodwill die is betaald bij acquisitie wordt uitgedrukt in de functionele valuta van de geacquireerde entiteit. De koersverschillen die voortvloeien uit de omrekening van de netto-investering in entiteiten met een andere functionele valuta dan de euro worden verwerkt in het vermogen (Translatiereserve). Dit geldt ook voor koersverschillen op leningen en andere financiële instrumenten voor zover deze het valutarisico in verband met de netto-investering afdekken. Bij verkoop van een entiteit met een andere functionele valuta dan de euro worden de cumulatieve koersverschillen uit hoofde van de omrekening van de netto-investering in de winst-en-verliesrekening verwerkt.
Activa (schulden) worden als vlottend (kortlopend) gerubriceerd als ze naar verwachting binnen 12 maanden na balansdatum worden gerealiseerd (afgewikkeld).
Goodwill is het overschot van de verkrijgingsprijs van een acquisitie boven DSM’s aandeel in de netto reële waarde van de identificeerbare activa en verplichtingen van een geacquireerde dochtermaatschappij, joint venture of geassocieerde deelneming. Goodwill betaald bij de acquisitie van dochtermaatschappijen en joint ventures wordt opgenomen onder de immateriële activa. Goodwill betaald bij de acquisitie van geassocieerde deelnemingen wordt begrepen in de boekwaarde van deze geassocieerde deelnemingen. Goodwill wordt niet afgeschreven maar wordt jaarlijks, en als er aanwijzingen zijn dat de boekwaarde wellicht hoger is dan de realiseerbare waarde, getoetst op een eventuele bijzondere waardevermindering. De boekwaarde van de goodwill van een entiteit wordt verwerkt in het resultaat op de verkoop van de entiteit.
Immateriële activa die zijn geacquireerd in het kader van een bedrijfscombinatie worden opgenomen tegen de reële waarde per acquisitiedatum en vervolgens afgeschreven over de verwachte levensduur, die varieert van 5 tot 15 jaar.
Aangekochte licenties, octrooien en applicatiesoftware worden gewaardeerd tegen de historische kostprijs verminderd met afschrijvingen op lineaire basis en verminderd met eventuele bijzondere waardeverminderingen. De verwachte gebruiksduur ligt tussen 4 en 10 jaar. De uitgaven voor onderhoud van software worden meteen ten laste van het resultaat gebracht. Investeringen die direct verbonden zijn met de ontwikkeling van applicatiesoftware worden opgenomen onder immateriële activa en afgeschreven over de verwachte gebruiksduur (5 tot 8 jaar).
Researchkosten worden meteen ten laste van het resultaat gebracht. Ontwikkelingskosten worden, indien aan de voorwaarden voor opneming in de balans wordt voldaan, geactiveerd en afgeschreven over de gebruiksduur vanaf het moment waarop het product op commerciële basis wordt gelanceerd. De boekwaarde van activa voortgekomen uit ontwikkelingsuitgaven wordt op iedere balansdatum – of eerder als daartoe aanleiding is – getoetst op een eventuele bijzondere waardevermindering. In gebruik zijnde immateriële activa voortgekomen uit ontwikkelingsuitgaven worden getoetst op een eventuele bijzondere waardevermindering indien er aanwijzingen zijn dat de boekwaarde wellicht hoger is dan de realiseerbare waarde. Eventuele bijzondere waardeverminderingen worden opgenomen in de winst-en-verliesrekening.
De materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen de kostprijs verminderd met afschrijvingen op lineaire basis, en verminderd met eventuele bijzondere waardeverminderingen. Bouwrente wordt geactiveerd. Uitgaven in verband met groot, periodiek onderhoud worden geactiveerd en afgeschreven over de periode tot de volgende onderhoudsstop.
De materiële vaste activa worden systematisch afgeschreven over de geschatte gebruiksduur. Jaarlijks wordt de geschatte resterende gebruiksduur van de individuele activa getoetst, rekening houdende met economische en technologische veroudering, en met normale slijtage. In de regel wordt initieel uitgegaan van de volgende verwachte gebruiksduur: voor gebouwen 10-50 jaar, voor machines en installaties 5-15 jaar, voor overige bedrijfsmiddelen 4-10 jaar. Op grond wordt niet afgeschreven.
De kosten van de opsporing, ontwikkeling en productie van olie en gas worden verantwoord volgens de successful efforts-methode. De kosten van succesvolle en nog niet voltooide olie- en gasboringen worden geactiveerd als materiële vaste activa. De geschatte contant gemaakte kosten van toekomstige buitengebruikstelling van productieplatformen voor olie- en gaswinning en locatieherstel worden geactiveerd en afgeschreven. Materiële vaste activa die betrekking hebben op de opsporing van olie en gas worden afgeschreven op basis van de unit of production-methode.
Een materieel vast actief wordt niet langer in de balans opgenomen wanneer het wordt verkocht of wanneer er geen toekomstige economische voordelen meer worden verwacht uit de verdere aanwending of verkoop van het actief. Een eventueel boekresultaat voortvloeiend uit het niet langer in de balans opnemen van het actief wordt in de winst-en-verliesrekening verwerkt.
Financiële leases, waarbij nagenoeg alle risico’s en voordelen verbonden aan de eigendom van het geleasede actief aan de groep worden overgedragen, worden geactiveerd bij het aangaan van de lease tegen de reële waarde van het geleasede actief of, indien lager, tegen de contante waarde van de minimale leasebetalingen. Alle overige leases zijn operationele leases.
De leasebetalingen voor financiële leases worden zodanig uitgesplitst in financieringskosten en een vermindering van de leaseverplichting dat een constante rentevoet over het resterende saldo van de verplichting wordt bereikt. De financieringskosten worden opgenomen onder de Nettofinancieringslasten. Geactiveerde geleasede bedrijfsmiddelen worden afgeschreven over de leaseperiode of over de geschatte gebruiksduur indien deze laatste korter is. Betalingen uit hoofde van operationele leases worden op lineaire basis als last verantwoord.
Een geassocieerde deelneming is een entiteit waarin DSM invloed van betekenis maar geen beslissende zeggenschap heeft. Gewoonlijk wordt in deze entiteiten een aandeel gehouden dat DSM tussen 20% en 50% van de stemrechten geeft. Investeringen in geassocieerde deelnemingen worden verwerkt op basis van de equity-methode, die inhoudt dat het aandeel van DSM in de winst of het verlies van de geassocieerde deelneming wordt opgenomen in de winst-en-verliesrekening. Het belang van DSM in een geassocieerde deelneming wordt gewaardeerd op het DSM-aandeel in de nettoactiva van de geassocieerde deelneming, samen met de bij acquisitie betaalde goodwill, en verminderd met een eventuele bijzondere waardevermindering.
Wanneer het aandeel van DSM in het verlies van een geassocieerde deelneming de boekwaarde van de geassocieerde deelneming – inclusief eventuele andere vorderingen – overtreft, wordt de boekwaarde tot nihil teruggebracht. Er worden geen verdere verliezen verantwoord, tenzij DSM verantwoordelijkheid draagt voor verplichtingen van de geassocieerde deelneming.
Overige deelnemingen betreffen kapitaalbelangen in entiteiten waarin DSM geen invloed van betekenis heeft; zij worden verantwoord als effecten die voor verkoop beschikbaar zijn. Deze overige deelnemingen worden gewaardeerd tegen de reële waarde, waarbij wijzigingen in de reële waarde worden opgenomen in het vermogen (Reële-waarde-reserve). Bij verkoop wordt de cumulatieve reële-waarde-aanpassing van de betreffende overige deelnemingen uit het vermogen geëlimineerd en verwerkt in de winst-en-verliesrekening. Indien geen betrouwbare reële waarde kan worden vastgesteld, worden de overige deelnemingen tegen de kostprijs gewaardeerd. De opbrengsten, alsmede de boekwinst of het boekverlies op de verkoop van deze overige deelnemingen, worden in de winst-en-verliesrekening verantwoord.
Leningen en langlopende vorderingen worden gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs, eventueel verminderd met een waardecorrectie in verband met oninbaarheid. De opbrengsten uit deze activa en de boekwinst of het boekverlies op de verkoop ervan worden in de winst-en-verliesrekening verantwoord.
Wanneer er aanwijzingen zijn dat de boekwaarde van een vast actief (een immaterieel of materieel vast actief) wellicht hoger is dan de geschatte realiseerbare waarde (de hoogste van indirecte opbrengstwaarde en reële waarde minus verkoopkosten), wordt nagegaan of er sprake is van een bijzondere waardevermindering. Voor een actief dat niet in ruime mate zelfstandig kasstromen genereert, wordt de realiseerbare waarde bepaald voor de kasstroomgenererende eenheid waartoe het actief behoort. Bij de bepaling van de indirecte opbrengstwaarde worden de geschatte toekomstige kasstromen contant gemaakt tegen een disconteringsvoet voor belastingen, gebaseerd op de marktrente plus een opslag voor de specifieke risico’s van het actief.
Wanneer de realiseerbare waarde van een vast actief lager is dan de boekwaarde, wordt de boekwaarde afgeboekt tot de realiseerbare waarde en wordt een bijzondere waardevermindering opgenomen in de winst-en-verliesrekening. Een bijzondere waardevermindering wordt teruggenomen wanneer er sinds de laatste opname van de bijzondere waardevermindering een wijziging heeft plaatsgevonden in de schatting die van belang is voor de bepaling van de realiseerbare waarde.
Alle financiële activa worden getoetst op bijzondere waardevermindering. Indien er objectieve aanwijzingen zijn dat na de eerste opname van een financieel actief één of meerdere gebeurtenissen hebben geleid tot een bijzondere waardevermindering, wordt in de winst-en-verliesrekening een bijzondere waardevermindering opgenomen. Bijzondere waardeverminderingen van goodwill en overige deelnemingen worden nimmer teruggenomen.
Voorraden worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs of lagere opbrengstwaarde. Hierbij wordt de FIFO-methode van waarderen (first-in, first-out) toegepast. De kostprijs van halffabrikaten en gereed product bevat de direct toerekenbare kosten en de indirecte productiekosten. De opbrengstwaarde wordt bepaald als de geschatte verkoopprijs in het kader van de normale bedrijfsuitoefening, verminderd met de geschatte kosten van voltooiing en de geschatte kosten die nodig zijn om de verkoop te realiseren. Producten waarvan ten gevolge van het optreden van gemeenschappelijke kosten geen vervaardigingprijs kan worden bepaald, worden gewaardeerd tegen de opbrengstwaarde onder aftrek van een marge.
Handelsvorderingen en overige vorderingen worden opgenomen tegen geamortiseerde kostprijs, die in het algemeen overeenkomt met de nominale waarde verminderd met een waardecorrectie in verband met oninbaarheid.
Deposito’s bij banken met een resterende looptijd van meer dan 3 maar minder dan 12 maanden worden verantwoord als kortlopende belegging. Zij worden gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs. De opbrengsten uit deze deposito’s worden in de winst-en-verliesrekening opgenomen.
Liquide middelen betreffen kasmiddelen, banktegoeden en deposito’s bij banken met een resterende looptijd van minder dan 3 maanden. Bankschulden worden opgenomen onder de kortlopende schulden. De liquide middelen worden gewaardeerd tegen nominale waarde.
Vaste activa en disposal groups (activa en verplichtingen die betrekking hebben op een activiteit die verkocht zal worden) worden gerubriceerd als ‘voor verkoop aangehouden’ indien hun boekwaarde hoofdzakelijk zal worden gerealiseerd door middel van een verkooptransactie in plaats van door voortgezet gebruik. De herrubricering vindt plaats wanneer de activa beschikbaar zijn voor onmiddellijke verkoop en verkoop zeer waarschijnlijk is. Aan deze voorwaarden is meestal voldaan vanaf de datum waarop de eerste conceptversie van een verkoopovereenkomst gereed is voor bespreking. Voor verkoop aangehouden vaste activa en disposal groups worden gewaardeerd tegen boekwaarde of lagere reële waarde verminderd met de verkoopkosten. Op voor verkoop aangehouden vaste activa wordt niet afgeschreven.
Beëindigde activiteiten omvatten activiteiten die gedurende de verslagperiode zijn gedesinvesteerd of aan het einde van de periode zijn gerubriceerd als ‘voor verkoop aangehouden’ en die bovendien een voor operationele doeleinden of financiële rapportagedoeleinden duidelijk afgebakend activiteitengebied of geografisch gebied vertegenwoordigen. DSM heeft de kasgenererende eenheden aangemerkt als de bedrijfsonderdelen die, indien zij worden gedesinvesteerd, worden gerapporteerd als beëindigde activiteiten.
DSM’s gewone aandelen en cumulatief preferente aandelen worden aangemerkt als eigen vermogen Koninklijke DSM N.V. De aankoopprijs van ingekochte eigen aandelen wordt op het eigen vermogen Koninklijke DSM N.V. in mindering gebracht totdat zij worden ingetrokken of herplaatst. Het aan houders van cumulatief preferente aandelen uit te keren dividend wordt als verplichting opgenomen op het moment waarop de Raad van Commissarissen het voorstel voor winstbestemming goedkeurt. Het aan houders van gewone aandelen uit te keren dividend wordt als verplichting opgenomen op het moment waarop de Algemene Vergadering van Aandeelhouders het dividendvoorstel goedkeurt.
Voorzieningen worden opgenomen wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1) er bestaat een bestaande juridische of feitelijke verplichting als gevolg van een gebeurtenis uit het verleden, 2) het is waarschijnlijk dat middelen aan de onderneming zullen worden onttrokken om de verplichting te voldoen, en 3) er kan een betrouwbare schatting worden gemaakt van het bedrag van de verplichting.
Het bedrag dat waarschijnlijk benodigd zal zijn om langlopende verplichtingen te voldoen wordt contant gemaakt indien het effect van het contant maken materieel is. Als een contante waarde is berekend, wordt de toename van de voorziening door het verloop van de tijd beschouwd als interestkosten. De interestkosten in verband met pensioenverplichtingen worden echter opgenomen in de pensioenkosten.
Een voorziening voor de kosten die verbonden zijn aan de toekomstige buitengebruikstelling van productieplatformen voor olie- en gaswinning en locatieherstel wordt gevormd wanneer het betreffende investeringsproject in bedrijf wordt genomen. De kosten van de voorziening worden, samen met de historische kosten van het betreffende actief, verantwoord onder Materiële vaste activa en afgeschreven over de gebruiksduur van het actief.
Opgenomen leningen worden initieel verantwoord tegen kostprijs, zijnde de reële waarde van de ontvangen bedragen na aftrek van transactiekosten. Vervolgens worden opgenomen leningen verwerkt tegen de geamortiseerde kostprijs met toepassing van de effectieve-rentemethode. De geamortiseerde kostprijs wordt berekend door rekening te houden met eventuele disagio of agio. De rentelasten worden toegerekend aan de periode waarop zij betrekking hebben en verantwoord in de winst-en-verliesrekening.
Indien een renterisico met betrekking tot een opgenomen langlopende lening wordt afgedekt, en de afdekking als effectief wordt aangemerkt, wordt de boekwaarde van de langlopende lening aangepast voor wijzigingen in de reële waarde van de rentecomponent van de lening.
Handelscrediteuren en overige kortlopende schulden worden gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs, die in het algemeen overeenkomt met de nominale waarde.
De opbrengst uit de verkoop van goederen wordt verantwoord op het moment waarop de wezenlijke risico’s en voordelen van het eigendom worden overgedragen aan de koper. De netto-omzet is gelijk aan de factuurwaarde verminderd met geschatte rabatten en kortingen, na aftrek van indirecte belastingen.
Opbrengsten uit royalty’s worden onder Overige bedrijfsopbrengsten verantwoord op accrual-basis, in overeenstemming met de economische realiteit van de desbetreffende overeenkomsten. Rentebaten worden opgenomen op tijdsevenredige basis volgens de effectieve-rentemethode. Dividendopbrengsten worden opgenomen op het moment dat het recht op ontvangst van het dividend is verkregen.
Subsidies worden in de balans opgenomen tegen hun reële waarde wanneer er redelijke zekerheid is dat de subsidie zal worden ontvangen en dat aan alle bijbehorende voorwaarden zal worden voldaan. Kostensubsidies worden systematisch als bate verantwoord in het resultaat van de perioden waarin de kosten vallen waarvoor de subsidies als compensatie bedoeld zijn. Investeringssubsidies worden in eerste instantie voor de reële waarde in de balans opgenomen als een vooruitontvangen bate (Overige langlopende schulden) en vervolgens in gelijke jaarlijkse bedragen verantwoord in de winst-en-verliesrekening naar rato van de verwachte gebruiksduur van het betrokken actief.
De kosten van optieregelingen worden bepaald op basis van de reële waarde van de opties op de datum waarop de opties worden toegekend. De reële waarde wordt bepaald met gebruikmaking van het Black-Scholes model, rekening houdende met marktvoorwaarden die gerelateerd zijn aan de prijs van het DSM-aandeel. De kosten van deze opties worden verwerkt in de winst-en-verliesrekening (Personeelskosten) gedurende de periode waarin de opties niet uitoefenbaar zijn, met als tegenpost de overeenkomstige toename van het vermogen (Reserve voor op aandelen gebaseerde beloningen), voor zover het gaat om in aandelen af te wikkelen opties, of Overige langlopende schulden voor zover het gaat om in contanten af te wikkelen opties (Share Appreciation Rights). Er worden geen lasten opgenomen voor opties die uiteindelijk niet uitoefenbaar worden, met uitzondering van opties waarvan het uitoefenbaar worden mede afhankelijk is van een marktvoorwaarde. Deze opties worden behandeld als uitoefenbaar, ongeacht of voldaan is aan de marktvoorwaarde, indien wel aan alle andere prestatiegerelateerde voorwaarden is voldaan.
DSM is onderworpen aan wetgeving die tot doel heeft de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen te bevorderen. Er zijn aan de groep in een aantal landen emissierechten toegekend, vooral voor emissies van CO2. Emissierechten worden gereserveerd om te voldoen aan leveringsverplichtingen en worden in de balans opgenomen tegen de kostprijs. Deze is over het algemeen nihil. Er wordt een opbrengst opgenomen indien overtollige emissierechten worden verkocht aan derden. Indien de feitelijke emissies hoger zijn dan de emissierechten waarover DSM beschikt, wordt een voorziening opgenomen voor de verwachte additionele kosten.
Bijzondere posten betreffen materiële incidentele baten en lasten die voortkomen uit bijvoorbeeld:
- afboekingen van voorraden tot opbrengstwaarde en van materiële vaste activa tot realiseerbare waarde, alsmede het terugnemen van dergelijke afboekingen;
- herstructureringen van de activiteiten van een entiteit;
- vrijval van voorzieningen;
- verkopen van materiële vaste activa;
- verkopen van geassocieerde deelnemingen of andere financiële activa;
- beëindigde activiteiten;
- verliesgevende contracten;
- juridische schikkingen.
Om een beter inzicht te geven in de onderliggende resultaten over de betreffende periode worden bijzondere posten separaat gerapporteerd indien het totale bedrag dat met de specifieke gebeurtenis of het specifieke project is gemoeid hoger is dan €10 miljoen.
Belastingen worden opgenomen in de winst-en-verliesrekening behalve voor zover zij betrekking hebben op een post die rechtstreeks is opgenomen in het eigen vermogen.
Actuele belastingen zijn de naar verwachting te betalen belastingen over de fiscale winst over het jaar, op basis van de per balansdatum geldende belastingtarieven, en eventuele aanpassingen in de te betalen belastingen over voorgaande jaren. Latente belastingvorderingen en -verplichtingen worden opgenomen op basis van de verwachte fiscale consequenties van tijdelijke verschillen tussen de boekwaarde van activa en verplichtingen en hun fiscale boekwaarde. De waardering van de latente belastingvorderingen en -verplichtingen geschiedt tegen de per balansdatum geldende of materieel vastgestelde belastingtarieven en -wetten die naar verwachting van toepassing zijn wanneer de betreffende latente belastingvorderingen en -verplichtingen worden afgewikkeld. Latente belastingvorderingen, inclusief vorderingen die voortkomen uit verliescompensatie, worden in de balans opgenomen voor zover het waarschijnlijk is dat er toekomstige fiscale winsten beschikbaar zullen zijn waarmee verrekenbare tijdelijke verschillen en niet-gecompenseerde fiscale verliezen kunnen worden verrekend. Latente belastingvorderingen en -verplichtingen worden opgenomen tegen nominale waarde.
Voor de volgende tijdelijke verschillen worden geen latente belastingen opgenomen: de initiële opname van goodwill in de balans, de initiële opname van activa of verplichtingen die noch de commerciële winst noch de fiscale winst beïnvloeden, en verschillen die te maken hebben met investeringen in dochtermaatschappijen voor zover zij in de voorzienbare toekomst waarschijnlijk niet zullen worden teruggenomen.
De groep gebruikt financiële derivaten zoals valutatermijncontracten en renteswaps om de risico’s van wijzigingen in wisselkoersen en rentepercentages af te dekken. Financiële derivaten worden initieel opgenomen tegen reële waarde inclusief transactiekosten en vervolgens gewaardeerd tegen hun reële waarde op iedere balansdatum. Veranderingen in de reële waarde worden opgenomen in de winst-en-verliesrekening tenzij cash flow hedge accounting of net investment hedge accounting wordt toegepast.
Wijzigingen in de reële waarde van financiële derivaten die zijn aangemerkt als kasstroomafdekking (cash flow hedge) en die aan de criteria daarvoor voldoen worden in het vermogen (Afdekkingsreserve) opgenomen voor zover de afdekking effectief is. Bij opneming in de balans van het betreffende actief of de betreffende verplichting wordt de cumulatieve bate of last overgeboekt van de Afdekkingsreserve en begrepen in de boekwaarde van de afgedekte post indien het een niet-financieel actief of een niet-financiële verplichting betreft. Indien de afgedekte post een financieel actief of een financiële verplichting is, wordt de cumulatieve bate of last overgebracht naar de winst-en-verliesrekening. Wijzigingen in de reële waarde van financiële derivaten die zijn aangemerkt als afdekking van een netto-investering (net investment hedge) en die aan de criteria daarvoor voldoen worden verantwoord in het vermogen (Translatiereserve) voor zover de afdekking effectief is en de wijziging in de reële waarde het gevolg is van wijzigingen in valutakoersen. Cumulatieve baten en lasten worden vanuit de Translatiereserve overgebracht naar de winst-en-verliesrekening wanneer de netto-investering wordt afgestoten. Veranderingen in de reële waarde van financiële derivaten die zijn aangemerkt als reële-waardeafdekking (fair value hedge) en die aan de criteria daarvoor voldoen worden onmiddellijk opgenomen in de winst-en-verliesrekening, samen met eventuele veranderingen in de reële waarde van de afgedekte activa of verplichtingen die toe te rekenen zijn aan het afgedekte risico.
Voor toegezegd-pensioenregelingen wordt voor de bepaling van de pensioenkosten gebruik gemaakt van de projected unit credit-methode. Actuariële baten en lasten worden volledig verantwoord in het vermogen in de periode waarin zij zich voordoen. Vooruitbetaalde pensioenkosten in verband met toegezegd-pensioenregelingen worden alleen geactiveerd als deze leiden tot een terugbetaling uit de regeling aan de werkgever of tot een verlaging van toekomstige bijdragen door de werkgever. Vooruitbetaalde pensioenkosten die niet voldoen aan dit criterium worden ten laste van het vermogen gebracht in de periode waarin zij zich voordoen en worden beschouwd als effecten van de asset ceiling. Betalingen aan toegezegde-bijdrageregelingen komen ten laste van het resultaat zodra zij verschuldigd worden.
De IASB en de IFRIC hebben nieuwe standaarden, aanpassingen in bestaande standaarden en interpretaties uitgebracht die nog niet van kracht zijn of nog niet door de Europese Unie zijn bekrachtigd. DSM heeft de nieuwe en aangepaste IFRS- en IFRIC-interpretaties ingevoerd die vanaf 2007 van kracht zijn. De invoering van deze herziene standaarden en interpretaties had geen gevolgen voor de financiële resultaten of de positie van de groep. De invoering van IFRS 7, ‘Financial Instruments: Disclosures’, en de toepassing van de aanpassingen op IAS 1, ‘Presentation of Financial Statements’, leidde tot een aantal additionele rapportages. De invoering van standaarden en interpretaties die van kracht worden na de datum van deze jaarrekening zal naar verwachting geen materiële gevolgen hebben voor de jaarrekening. Vanaf het moment waarop de nieuwe standaarden en interpretaties van kracht worden, zullen bepaalde extra gegevens aan de rapportage moeten worden toegevoegd en zullen deze worden geïntroduceerd. De volgende standaarden en interpretaties worden nog niet toegepast binnen DSM.
De aanpassing in IAS 23, 'Borrowing Costs', waardoor de mogelijkheid vervalt om de kosten van opgenomen leningen die rechtstreeks verband houden met de acquisitie, bouw of productie van daarvoor in aanmerking komende activa direct op te nemen als kosten. Deze aanpassing zal geen gevolgen hebben voor de geconsolideerde jaarrekening aangezien DSM van deze optie geen gebruik maakt.
IFRS 8, 'Operating Segments', uitgegeven in november 2006, waarin de eis wordt geïntroduceerd dat de financiële en beschrijvende informatie die over bedrijfssegmenten wordt gerapporteerd hetzelfde moet zijn als de informatie die intern wordt gebruikt voor het beoordelen van de resultaten van bedrijfssegmenten en bij de besluitvorming over de toewijzing van middelen. DSM gebruikt voor interne prestatiemeting dezelfde prestatiemaatstaven en rapportagestructuren als voor de externe verslaglegging, en daarom zal deze nieuwe standard naar verwachting geen gevolgen hebben voor de geconsolideerde jaarrekening.
IFRIC 11, 'Group and Treasury Share Transactions', IFRIC 12, 'Service Concession Arrangements', en IFRIC 13, 'Customer Loyalty Programs', zullen geen gevolgen hebben voor de geconsolideerde jaarrekening.
IFRIC 14, 'IAS 19 - The Limit on a Defined Benefit Asset, Minimum Funding Requirements and their Interaction', verschaft een nadere toelichting op het feit dat activa die zijn gerelateerd aan toegezegd-pensioenregelingen alleen in de balans mogen worden opgenomen wanneer er sprake is van economisch voordeel, beschikbaar in de vorm van restituties uit een toegezegd-pensioenregeling of een verlaging van de toekomstige bijdragen aan de regeling, vooral wanneer er sprake is van een minimale financieringsverplichting. De interpretatie is van toepassing op bepaalde toegezegd-pensioenregelingen van de groep maar zal naar verwachting geen materiële gevolgen hebben voor de geconsolideerde jaarrekening.